INBO lanceert ‘Voetafdruk landgebruik en biodiversiteit - algemeen’ als experimentele indicator. We ontvangen graag uw opmerkingen om de leesbaarheid en bruikbaarheid ervan te verbeteren. Suggesties zijn welkom op .

De landvoetafdruk van de Vlaamse economie en de bijbehorende impact op planten- en diersoorten schommelen op een hoog niveau. Om ons consumptie- en productiepatroon te ondersteunen, gebruiken we jaarlijks 12 keer meer land (bossen, akkers en weilanden) dan we in heel Vlaanderen ter beschikking hebben. We veroorzaken ook veel hogere verliezen aan unieke planten- en diersoorten in het buitenland dan in Vlaanderen zelf. De impact van goederen die we in Vlaanderen verwerken en weer exporteren is groter dan de impact van de goederen en producten bestemd voor eigen consumptie.

Vlaamse consumptie

Figuur 1: impact van de Vlaamse consumptie op het landgebruik (in km², links) en het bijbehorende verlies aan soorten in binnen- en buitenland (rechts). Het verlies aan soorten wordt uitgedrukt in mondiale pdf (potentially disappeared fraction of species), een maat voor het potentieel uitsterven van soorten op wereldschaal als gevolg van ons landgebruik. De impact is opgedeeld in 2 meetperiodes (2010 - 2016 en 2015 - 2019) die elk een verschillend economisch model als basis hanteren (zie tabblad metadata).

Vlaamse export

Figuur 2: impact van de Vlaamse export op het landgebruik (in km², links) en het bijbehorende verlies aan soorten in binnen- en buitenland (rechts). Het verlies aan soorten wordt uitgedrukt in mondiale pdf (potentially disappeared fraction of species), een maat voor het potentieel uitsterven van soorten op wereldschaal als gevolg van ons landgebruik. De impact is opgedeeld in 2 meetperiodes (2010 - 2016 en 2015 - 2019) die elk een verschillend economisch model als basis hanteren (zie tabblad metadata).

Vlaamse economie

Figuur 3: impact van de Vlaamse economie op het landgebruik (in km², links) en het bijbehorende verlies aan soorten in binnen- en buitenland (rechts). Het verlies aan soorten wordt uitgedrukt in mondiale pdf (potentially disappeared fraction of species), een maat voor het potentieel uitsterven van soorten op wereldschaal als gevolg van ons landgebruik. De impact is opgedeeld in 2 meetperiodes (2010 - 2016 en 2015 - 2019) die elk een verschillend economisch model als basis hanteren (zie tabblad metadata).

Definitie

De landvoetafdruk van onze consumptie toont de oppervlakte akkers, graslanden en bossen die jaarlijks nodig is om de grond- en hulpstoffen te leveren voor de goederen en diensten die we in Vlaanderen gebruiken. Hij omvat dus het land- en bosbouwgebruik in de ganse voorketen van die goederen en diensten, ook buiten onze regiogrenzen. De impact die we hebben op urbane landgebruiken (industrie, ontginning van mineralen of fossiele brandstoffen, wegennet, woningen, etc.) zit niet mee in de cijfers vervat. De landvoetafdruk van onze export berekent op dezelfde manier het landgebruik voor de diensten en de goederen die we in Vlaanderen verwerken en weer exporteren. De landvoetafdruk van onze ganse economie toont de som van het landgebruik voor consumptie en voor export, zowel binnen Vlaanderen als buiten onze regiogrenzen.

De rechtse figuur toont telkens het potentieel verlies aan planten- en diersoorten dat met dat land- en bosbouwgebruik samengaat. Hoeveel biodiversiteit verloren gaat - ten opzichte van een natuurlijke referentiesituatie - hangt af van waar (in welk land) het landgebruik zich situeert en welke productiemethodes gehanteerd worden. De gebruikte maat voor biodiversiteitsverlies is de mondiale pdf (potentially disappeared fraction of species): het is een maat voor het potentieel uitsterven van soorten op wereldschaal door het verlies van geschikt leefgebied. Ze houdt rekening met de kwetsbaarheid van soorten. De maat heeft vooral een vergelijkende waarde, absolute cijfers bespreken we daarom niet.

De biodiversiteitsvoetafdruk (soortenverlies door land- en bosbouw) brengt het mogelijke verlies van soorten op lange termijn in kaart als de druk gelijk blijft. Soorten verdwijnen echter niet altijd meteen wanneer hun omgeving verandert, en keren ook niet onmiddellijk terug als alles weer is zoals voorheen. Positieve evoluties worden dus mogelijk overschat. Maar maatregelen die beleidsmakers nu treffen, kunnen nog minstens een deel van het voorspelde biodiversiteitsverlies voorkomen.

De landvoetafdruk en de bijbehorende biodiversiteitsvoetafdruk maken deel uit van een reeks voetafdrukindicatoren die gebaseerd zijn op hetzelfde economische basismodel (zie voetafdruk biomassagebruik en voetafdruk ontbossing en koolstofuitstoot in de tropen). Ze zijn bedoeld om de grootteorde van onze impact mee te geven, algemene verhoudingen tussen (groepen van) landen en sectoren af te leiden en hotspots aan te duiden voor verdere actie of onderzoek. De indicatoren zijn onderling verbonden en vullen elkaar aan: de oogst van biomassa neemt land in beslag, waar vaak planten en dieren voor moeten wijken of hele bossen voor verdwijnen. Ze tonen telkens andere facetten van onze impact, waarop het Vlaamse, federale en Europese beleid kunnen inspelen.

Bespreking

Impact in het buitenland veel groter dan in Vlaanderen

We gebruiken veel meer land en veroorzaken daardoor grotere verliezen aan kwetsbare soorten in het buitenland dan in Vlaanderen zelf. De Vlaamse economie gebruikte tussen 2015 en 2019 (periode 2 in de grafiek) jaarlijks gemiddeld zo’n 160.000 km² akkers, graslanden en bossen (resp. +/- 88.000 km², 19.000 km² en 55.000 km²). Dat is 12 keer meer land dan we in heel Vlaanderen ter beschikking hebben. De oppervlakte die we nodig hebben om onze Vlaamse consumptie te ondersteunen, bedroeg in 2019 ongeveer 67.000 km². 97% daarvan lag buiten onze regiogrenzen. De oppervlakte die we gebruiken om goederen te produceren voor onze Vlaamse export bedroeg ruwweg 88.000 km². 93% daarvan bevond zich buiten Vlaanderen1.

Meer dan 98% van het wereldwijde verlies aan soorten dat de Vlaamse economie jaarlijks veroorzaakt door het grasland, akkerland en bos waarop we beslag leggen, doet zich voor buiten Vlaanderen. 55% van dat potentiële verlies aan soorten is verbonden met producten die we in Vlaanderen verwerken en weer exporteren (zie figuur 2), 45% met onze Vlaamse consumptie (zie figuur 1). Het grote verschil tussen impact op het verlies aan soorten in binnen- en buitenland is voor een deel te wijten aan het feit dat Vlaanderen nog weinig wereldwijd bedreigde soorten telt, en al helemaal geen unieke (endemische) soorten. Die soorten krijgen een hoger gewicht in de maat voor wereldwijd biodiversiteitsverlies.

De impact schommelt, geen duidelijke trend

Tussen 2010 en 2016 en tussen 2015 en 2019 schommelt de impact van onze consumptie op het landgebruik in de wereld (bos, grasland, akker) zonder duidelijke trend (Figuur 1). De impact van onze consumptie op het wereldwijde verlies aan soorten vertoont tussen 2010 en 2016 een licht stijgend verloop. Tussen 2015 en 2019 volgt het soortenverlies het schommelende patroon van het bijbehorende landgebruik. De landoppervlakte waar we beslag op leggen voor onze export daalt tussen 2015 en 2019 met 14%, het bijbehorende verlies aan soorten daalt met 26%. De impact van onze totale economie (consumptie + export) schommelt zonder duidelijke trend. Omdat de foutenmarge op de resultaten onbekend is, kunnen we niet spreken van significante trends.

De veranderingen zijn toe te wijzen aan verschuivingen in ons consumptie- en productiepatroon, en dan vooral in de herkomst van de grond- en hulpstoffen die we gebruiken (zie voetafdruk landgebruik en biodiversiteit - landen en sectoren).

Waarom een voetafdruk voor landgebruik en biodiversiteit?

Het gebruik van land voor de productie van voedsel en materialen is een belangrijke oorzaak van het verlies aan biodiversiteit in de wereld. Vlaanderen onderschrijft nationale en internationale afspraken inzake biodiversiteit en duurzame ontwikkeling, zoals de federale strategie duurzame ontwikkeling, de federale biodiversiteitsstrategie, het Biodiversiteitsverdrag en de Agenda 2030 van de Verenigde Naties, de Europese Green Deal en Europese Biodiversiteitsstrategie 2030. Om die afspraken na te komen, moeten we maatregelen nemen om onze voetafdruk op de biodiversiteit in het buitenland te beperken, de evolutie monitoren en daarover rapporteren.

De focus van het Vlaamse biodiversiteitsbeleid ligt op wat er zich binnen Vlaanderen afspeelt. Onze impact op de biodiversiteit in het buitenland komt nauwelijks in beeld. Heel wat beleidsdomeinen en sectoren zijn betrokken partij en nemen zinvolle initiatieven, maar van een gecoördineerde, actiegerichte aanpak is voorlopig weinig sprake.

Om beleidsacties en rapportages richting te kunnen geven, zijn kwaliteitsvolle beleidsindicatoren nodig. De hier voorgestelde experimentele voetafdrukindicatoren vormen, samen met de andere voetafdrukindicatoren uit de reeks, een eerste stap. Bestaande (milieu-)indicatoren die de milieudruk van onze economie buiten onze grenzen opvolgen, zoals de materialenvoetafdruk (OVAM 2023), de koolstofvoetafdruk (Omgeving 2024) en de ecologische voetafdruk (Bruers en Vandenberghe 2014), vatten onvoldoende de impact die die vormen van milieudruk uitoefenen op de biodiversiteit. Die impact is bovendien zeer locatiespecifiek: eenzelfde druk leidt niet overal ter wereld tot hetzelfde biodiversiteitsverlies.

Wie is verantwoordelijk?

De toenemende globalisering van de economie, met wereldwijd verspreide productienetwerken en een consumptie die steeds verder reikt (bv. door online aankopen), maakt het almaar moeilijker om verantwoordelijkheden aan te duiden en beleidseffecten op te volgen. Veranderingen in landgebruik en biodiversiteit zijn in elk land het resultaat van een complex samenspel van processen. Internationale handel is een van de vele oorzaken en een gedeelde verantwoordelijkheid van verschillende landen.

Wat kan Vlaanderen doen?

In de eerste plaats kan Vlaanderen zich opwerpen als een pleitbezorger voor internationale actie. Want Europese en internationale afspraken zijn een noodzaak om onze impact écht te milderen. Vlaanderen kan bijvoorbeeld zelf wel beslissen om enkel nog soja en afgeleide producten in te voeren uit regio’s waar geen ontbossing meer plaatsvindt. Maar als andere landen met een veel groter verbruik van soja dat wel blijven doen, zal de Vlaamse actie nauwelijks zichtbaar zijn in de modelresultaten en op het terrein. Nationale of regionale beleidsacties kunnen ook onbedoelde neveneffecten hebben: Vlaanderen kan ervoor kiezen om enkel duurzaam geteelde soja in te voeren uit een specifieke regio, maar daarmee het oorspronkelijke landgebruik op die locatie doen opschuiven naar regio’s waar bossen nog volop verdwijnen. Vlaanderen kan ook zijn eigen directe impact aanpakken, maar gelijktijdig in toenemende mate verwerkte producten invoeren (bv. vleesproducten) waarvan het risico op ontbossing veel minder gemakkelijk op te volgen is.

Zulke complexe wisselwerkingen zijn moeilijk te vatten in enkele indicatoren. Ze vragen meer fundamentele aanpassingen in het kennissysteem waarmee we macro-economisch beleid en internationale handel aansturen. De grootteorde van onze impact is evenwel duidelijk: met onze economische activiteiten en consumptiepatronen overschrijden we ruimschoots de draagkracht van Vlaanderen.

Om onze hoge voetafdruk aan te pakken, zijn ook op Vlaams niveau nog bijkomende acties en een meer doorgedreven coördinatie van bestaande initiatieven mogelijk. Bestaande instrumenten zoals de Vlaamse Eiwitstrategie, de landbouw- en boswetgeving, het circulaire economiebeleid, het beleid rond duurzame overheidsopdrachten, het Vlaamse Fonds Tropisch Bos… zijn mee bepalend voor onze impact in de wereld en kunnen dus ook helpen om die impact te verbeteren.

Referenties

Alaerts, Katrijn, Maarten Stevens, en Maarten Christis. 2023. ‘De impact van Vlaanderen op de biodiversiteit in de wereld: op zoek naar indicatoren.’ België: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek.
Bruers, Stijn, en Koen Vandenberghe. 2014. ‘Structurele verklaringen voor de hoge voetafdruk van België - Vergelijking van voetafdrukindicatoren voor België en buurlanden’. Onderzoeksrapport MIRA/2014/02. Ministerie van de Vlaamse gemeenschap.
Omgeving, Departement. 2024. ‘Koolstofvoetafdruk Departement Omgeving. https://indicatoren.omgeving.vlaanderen.be/indicatoren/koolstofvoetafdruk.
OVAM. 2023. ‘Input-output analyse helpt evoluties in de Vlaamse materialenvoetafdruk te verklaren’. https://ovam.vlaanderen.be.

  1. De cijfers verschillen van de cijfers gerapporteerd in het methodologische achtergronddocument [Alaerts, Stevens, en Christis (2023)), omdat het economische basismodel intussen enkele correcties en aanpassingen onderging (zie metadata). Vooral de exportcijfers verschillen aanzienlijk, omdat het huidige basismodel een andere kijk op wederuitvoer reflecteert: producten die enkel verhandeld worden in Vlaanderen en er geen verdere verwerking ondergaan, zitten niet meer vervat in de impact van onze export. Dit om afstemming met de andere voetafdrukindicatoren van de Vlaamse overheid (koolstofvoetafdruk, materialenvoetafdruk) te verzekeren. Daarnaast verbeteren de basisdata en de methodes van dit relatief nieuwe onderzoeksdomein ook voortdurend.↩︎